donderdag 16 april 2015

Toespraak van minister-president Mark Rutte bij de Jom Hasjoa-herdenking

Dames en heren,
Uit de periode van de deportaties zijn precies acht foto’s bekend van de Hollandse Schouwburg.
Acht. Niet meer. Acht foto’s uit de 16 maanden waarin ruim 45.000 Joodse Nederlanders dit voorportaal van de dood passeerden. Die verhouding klopt gewoon niet.
Een leed zo intens, een kwaad zo gewetenloos en onmenselijk groot, een verdriet zo peilloos diep – dat past niet in acht beelden. Ons hele verstand verzet zich daartegen. Ons hele gevoel verzet zich daartegen.

Jacques Presser waarschuwde zijn lezers op de eerste pagina van Ondergang al voor deze valkuil. Voor de valkuil van ongeloof. Voor de gedachte dat, zoals hij schreef, ‘Een vernietiging van zo verpletterende zinloosheid (…) niet (kan) hebben plaatsgevonden; men is eenvoudig niet toegankelijk voor een beeld van zo monsterachtige absurditeit.’ Aldus Presser in 1965, in dat indrukwekkende boek dat veel mensen de ogen opende.
Wij staan hier 50 jaar later. 70 jaar na de bevrijding. Met de wereld in onze binnenzak. En ik denk aan die schamele acht foto’s. Hoe verder weg in de tijd, des te onvoorstelbaarder worden de feiten, lijkt het wel.
En juist dat maakt het nog belangrijker dat we blijven herdenken. Le dor, wa dor – van generatie op generatie. Want we moeten alert blijven. Alert en waakzaam.
Dat leert de geschiedenis. Dat leert ook de actualiteit. Dat leert ons deze plek – dit ‘gebouw der tranen’, zoals een van de mensen die hier geïnterneerd was de Hollandsche Schouwburg noemde.
Hoe het grootste kwaad zich aan kan dienen in kleine stappen. Hoe het binnenkruipt en binnensluipt, als een gif dat dat zich verspreidt en zijn vernietigende werk doet. Hoe het zich verstopt in het gewone, het vertrouwde en het alledaagse. En hoe dun het lijntje is tussen een beschaafde samenleving en mensen die andere mensen de dood injagen.
Ja, we moeten alert blijven. Want antisemitisme, de voedingsbodem van de sjoa, is nooit ver weg. Ook niet in onze omgeving, in het hier en nu. Nog steeds niet. En dat is onaanvaardbaar.
In Nederland kan iedereen in vertrouwen en openheid zijn geloof en cultuur belijden. Zonder van buitenaf opgedrongen innerlijke reserves en onzekerheid. Zonder enige vorm van zelfcensuur.
Dit is uw land, mijn land, ons land. Het land dat we voor ogen hebben iedere keer als we zeggen: ‘Dit nooit meer.’ Ook ik spreek die woorden vanavond hardop uit, met diep respect voor de doden die wij herdenken, slachtoffers van vernietiging.
Dit. Nooit. Meer.
In het moedige en tegelijkertijd hartverscheurende dagboek dat Klaartje de Zwarte-Walvisch op deze plek en in Vught schreef, staat de volgende aanklacht tegen het ongeloof: ‘Alleen zij die dit leed persoonlijk meegemaakt hebben, zij zullen het begrijpen. En zij die het niet meegemaakt hebben en dit eens zullen lezen, zij moeten het begrijpen. Zij moeten weten het grote leed dat ons is aangedaan. Leed dat nooit meer uit te wissen is. Leed dat haar stempel heeft gedrukt op het Jodendom. Leed waar we allen machteloos tegenover stonden.’ Ik zeg het Klaartje de Zwarte na: wij moeten het begrijpen.
En daarom blijven wij herdenken.