zondag 1 februari 2015

Hoe bezet zijn de bezette gebieden eigenlijk?

Veel pro-Palestijnse activisten en leden van de internationale gemeenschap hebben ten onrechte beweerd dat Israël de Vierde Conventie van Genève schendt. Zo heeft een panel van de VN-Mensenrechtenraad verklaard dat de bouw van Joodse gemeenschappen in Judea en Samaria (de Westbank) in strijd zijn met de Vierde Conventie van Genève. Christine Chanet, de Franse rechter die dit VN-onderzoek heeft geleid, beweerde:
"Om de eigen bevolking in te zetten in bezet gebied is verboden omdat het een belemmering is voor de uitoefening van het recht op zelfbeschikking."
Maar zorgvuldig onderzoek van het internationale recht stelt vast dat Judea en Samaria, evenals Oost-Jeruzalem, niet als bezette gebieden kunnen worden aangemerkt en dat de gedwongen overdracht waar het Verdrag van Genève van spreekt, zoals wat de nazi's deden, niet de vrijwillige overdracht is dat Israël bezigt.#

Artikel 49 van het Verdrag van Genève werd opgesteld na de Tweede Wereldoorlog, gedurende een tijd dat miljoenen mensen werden gedeporteerd, ontheemd en afgeslacht. In het geval van de Joden en zigeuners, werd een regelrechte genocide gepleegd.
Artikel 49 van het Verdrag van Genève werd gecreëerd om een herhaling van wat er gebeurd is in Europa onder de onvoorstelbare agressie van het nazisme te voorkomen. Om deze reden stelt artikel 49 van het Verdrag van Genève: "De bezettende mogendheid mag geen delen van haar eigen burgerbevolking naar het bezette grondgebied verhuizen."


De Internationale Commissie van het Rode Kruis verduidelijkte artikel 49 in 1958:
"Het artikel is bedoeld om een toepassing te voorkomen of te adopteren ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, waarbij delen van de eigen bevolking gedwongen moesten verhuizen naar bezette gebieden uit raciale of politieke redenen.
Dergelijke overdrachten verslechterde de economische situatie van de inheemse bevolking en bedreigde hun afzonderlijk bestaan als ras."
Dit is het punt dat artikel 49 van het Verdrag van Genève naar verwijst: gedwongen verhuizing van een deel van de eigen bevolking dat resulteert in het gevaar brengen van het bestaan van overwonnen volkeren.
Artikel 49 gaat dus niet over vrijwillige nederzettingen in open gebieden, zelfs als er een bezetting plaats mocht vinden.

Er is genoeg juridische grond dat de term bezetting niet van toepassing is op Judea en Samaria, en Oost-Jeruzalem. Artikel 2 van het Verdrag van Genève stelt overduidelijk dat de Vierde Conventie van Genève alleen geldt wanneer het om twee of meer strijdende partijen gaat en dat is in deze zaak niet het geval, omdat de internationale gemeenschap de annexatie van Judea en Samaria nooit heeft erkend. Verder heeft Egypte nooit de moeite genomen om Gaza te annexeren en heeft een Palestijnse Arabische staat nooit in de menselijke geschiedenis bestaan. Aan de andere kant zijn, volgens de San Remo resolutie van 25 april 1920 en het Mandaat voor Palestina van 24 juli 1922, Judea en Samaria, Oost-Jeruzalem en Gaza allemaal integraal onderdeel geweest van de Joodse staat. Deze overeenkomsten zijn nog steeds relevant, aangezien artikel 80 van het VN-Handvest bepaalt dat alle mandaten van de Volkenbond zijn nog steeds geldig zijn.


Sommige mensen denken ten onrechte denken dat het Palestijnse Mandaat werd beëindigd in 1947, maar dit is niet correct. Volgens professor Eugene Rostow, voormalig decaan van de Yale Law School:
“A trust never terminates when a trustee dies, resigns, embezzles the trust property, or is dismissed. The authority responsible for the trust appoints a new trustee, or otherwise arranges for the fulfillment of its purpose.”
Met andere woorden, het Palestijnse Mandaat hield in Israël en Jordanië op te bestaan, toen Israël en Hasjemitisch Koninkrijk hun onafhankelijkheid verkregen zegt Professor Rostow, maar dat regelment is nog steeds van toepassing op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook  die niet zijn toegewezen aan Israël of aan Jordanië, of als onafhankelijke staat. Hij beweert dat juridisch gezien de lijnen van 1949 (wapenstilstand) niets meer zijn dan de posities die de strijdende legers innamen bij het eindigen van de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog.

De toonaangevende expert op het gebied van internationale recht, Julius Stone beweerde dat artikel 49 alleen betrekking heeft op de invasie van soevereine staten, een titel die de Palestijnen nooit hebben bezeten. Stone voerde ook aan dat men rekening dient te houden met totstandkoming en de formulering van artikel 49 van het Verdrag van Genève, zeker gezien hoe drastisch de situatie verschilt tussen Israël en Judea en Samaria en de situatie welke bestond in Europa onder het nazisme. Hij beweerde bovendien dat er geen ernstige verslechtering (laat staan uitroeiing) van de inheemse bevolkingsgroep is, eerder dat een dramatische verbetering van de economische situatie van de lokale Palestijnse bevolking sinds 1967 heeft plaatsgevonden.

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, is niet een territoriaal geschil in de wereld gedefinieerd als bezette gebieden, behalve in het geval van Israël. Volgens Eli Hertz, is in vrijwel elke andere onenigheid over grenzen en gebieden de meest voorkomende termen die worden toegepast: territoriale geschillen en omstreden grenzen. Dit is het geval voor de conflictgebieden als de Westelijke Sahara, Noord-Cyprus, en Nagorno-Karabach.
Bovendien was de juridische status van Palestina onder het Britse Mandaat het oprichten van een Staat voor het Joodse volk. Israël heeft sterkere gronden, op basis van het internationaal recht, deze gebieden binnen haar landsgrenzen te claimen dan welke andere staat ook binnen de regio.

Artikel is vertaald uit http://unitedwithisrael.org/why-israel-is-not-violating-fourth-geneva-convention/ en is geschreven door Rachel Avraham