zaterdag 9 januari 2010

Palestijnen als melkkoeien van hun Arabische broeders

Voor een keer een lange post, maar dit is ook rode-oortjes-lectuur: de Israelische journalist Tuvia Tenenbom undercover als Duitse journalist in het Palestijns vluchtelingenkamp Al Wahdat bij Amman, Jordanie. Als ook maar iemand ontdekt dat hij Joods en Israeli is, is hij dood. Dat wordt gelijk duidelijk als een van zijn Jordaanse zegslieden hem bijna ontmaskert. Naar Al Wahdat durft deze ijzervreter zelf niet eens: "Ga daar niet heen als je niet afgeslacht wil worden". Tenenbom gaat dus wel, en wat hij in Al Wahdat hoort en ziet liegt er niet om.
Onder de kop De melkkoeien  van Al Wahdat citeert hij een bewoner die zegt dat de Jordaanse regering geld opstrijkt van de VN voor elke Palestijn die daar woont. En dat de wereld zwijgt terwijl de Palestijnen onmenselijk worden behandeld, als melkkoeien, door hun Arabische broeders die de kampen en de armoede in stand houden.
'De Joden hebben ons onrecht aangedaan, en daar zullen ze voor boeten: de dag komt dat de Arabische natie zal veranderen en voor ons vechten. Alle Arabische legers zullen samenkomen in Jordanie en Palestina binnenvallen en de Joden uitroeien. Dat staat in de Quran en ik geloof het. Ik geloof. Maar tot die dag komt, lijden wij. Door onze broeders die ons verachten en rijk worden over onze rug.'
Wij vertaalden een paar lange fragmenten; daaronder links naar de Engelse of Duitse tekst.

In het hol van de Leeuwen

De meest capabele politici hebben hun leven opgedragen aan Palestina. Maar hoeveel daarvan zijn naar Al Wahdat gegaan?
Vroeger had ik nauwelijks van Al Wahdat gehoord. En toen ik erover hoorde, klonk het als een plaats waar je niet heen gaat. Waarom ga ik vandaag naar Al Wahdat? Omdat Morad me zegt dat ik er niet heen moet.

Kent u Morad? Waarschijnlijk niet. Morad, die mijn glas vult met bittere limonade, is een Jordanier met geld. Hij rijdt in een nieuwe BMW, hij heeft veel huizen, hij heeft een vrouw 'geimporteerd' uit Chicago, en hij houdt niet van Joden. 'De Joden,' zegt hij tegen zijn gasten tijdens het diner in zijn huis, 'kopen al het onroerend goed in Jordanie en Dubai. Om gek van te worden!' Morad schiet raak, en als Morad spreekt luisteren de mensen.
En dan brengt Morad, zonder enige waarschuwing vooraf, de bom tot ontploffing: 'Jij,' zegt hij, en hij wijst naar mijn gezicht, 'bent een Jood.' Iedereen stopt met eten en kijkt naar mij, een varken in hun midden. Niemand hier kent me bij mijn echte naam. Heeft Morad mijn geheimpje ontdekt? Alle ogen fixeren me, wachtend op mijn reactie.
'Jij,' zeg ik, en ik staar naar zijn gezicht, 'bent een homo-Jood. Uit Chelsea. Kijk naar je neus, Joods; kijk naar je lippen, homo. Ga terug naar New York, nep-Arabier!'
Morad is onder de indruk van mijn reactie. Hij kijkt me waarderend aan en zegt: 'Jij bent een Duitser. Maar je hebt nog iets anders in je, wat is het?'  Al-Hamdulillah, ik heb de test doorstaan. Ik heb Morad dubbel beledigd, dus ik moet van goede huize komen.
'Vader Duits, moeder Pools,' antwoord ik. 'Precies,' zegt hij; 'dat kan ik zien'.
Klaar. Ik heb me een Lutheraanse Duitser aangeschaft als vader en een Poolse katholiek als vader; ik stam af van goede lieden uit Europa die het de Joden goed hebben ingepeperd. Beter bloed kan je niet hebben. Terwijl de avond voortgaat, worden Morad en ik goede vrienden.
Ik doe een kefiya op mijn hoofd, koop een sjaal met 'Jeruzalem is van ons', en probeer Jordaanse kennissen over te halen mee te gaan naar Al Wahdat, een van de grootste Palestijnse vluchtelingenkampen hier. Tot mijn verbazing wil niemand mee. 'Er zijn betere manieren om te sterven,' zeggen de rijken van Amman tegen me, en ze rijden weg in hun glanzende nieuwe auto's. Ik doe mijn kostuum uit, roep een taxi en rijd naar Al Wahdat. Zo, als ik ben: Tobias van Duitsland - mijn naam en nationaliteit zolang ik in Jordanie  ben.

'Shu ismak?' Hoe heet je? Ik word verwelkomd door een staart van 30-40 kids die mijn eerste stapjes in Al Wahdat volgen. Als ik gedacht had dat ik hier onopgemerkt kon rondlopen, helpen zij me uit mijn naieve droom. Jammer genoeg krijgen de volwassenen mij nu ook in de gaten.
'Kom je voor de bruiloft?', vraagt een dame. Ik wou dat het waar was, maar ik heb natuurlijk geen idee wie er trouwt en wat mijn relatie tot de bruid of de bruidegom zou kunnen zijn. Ik kijk naar mijn nieuwe omgeving: Times Square voor de voorstelling is een woestenij in vergelijking met de mensenmassa hier.
Er is geen ontsnappen aan, ik moet een antwoord verzinnen: Hoe heet ik? (..) Kom ik hier weg met mijn Duits-streepje-Poolse afkomst? Ik dacht het niet. Geen BMW te zien hier, en de finesses van een Lutheraans Duitse vader en een Katholiek Poolse moeder zijn te ingewikkeld, vrees ik. (..) Ik heb iets simpelers nodig, een steekwoord dat onmiddellijk wordt begrepen, een zin die met gejuich wordt begroet.
Ik besluit de naam te laten zitten en ga gelijk voor de nationaliteit: 'Ik ben een Duitse journalist,' zeg ik. (..) Ik vertel ze dat 'Ik ben gekomen om te zien hoe jullie leven en dat aan de wereld te berichten.' Dat vraagt om een koningsbehandeling. 'Duitse journalist is hier!' zeggen ze, 'Marhaba! welkom! Wil je een man ontmoeten die je de waarheid kan vertellen, de echte waarheid?'
Ja natuurlijk. Wie wil dat niet?

Ali Mohammad Ali, een man van 84 jaar, staat van de vloer op in een kleine kamer die zijn hele benedenwoning is, en doet mij de eer aan me te vragen op zijn stoel te gaan zitten, die helemaal van plastic is. 'Een paar dagen geleden,' zegt hij, 'was Al Jazeera hier. En met wie dacht je dat ze spraken? Mij. En nu jij! Dank je dat je uit Duitsland bent gekomen om me te bezoeken!'
Er verzamelt zich al snel een menigte: Ali's zonen en dochters, hun kinderen, de kinderen van hun kinderen, wat goede vrienden, met hun echtgenotes, vrienden van vrienden, met een hoop kinderen op sleeptouw. Er is natuurlijk geen plaats voor al die mensen in deze kamer, maar de straat buiten is ook goed. Hijabs in alle nuances van zwart en wit bedekken de gezichten van de vele vrouwen hier, en sigaretten van allerlei soort steken uit de lippen van de mannen.
'Ik,' zegt Ali, 'ben geboren in Palestina.' Iedereen luistert. Ze kennen het verhaal, ze hebben het al duizend maal gehoord, maar het is een plezier om het nog een keer te horen.
Dit gaat een lange dag worden, zie ik, want Ali begint zijn verhaal in 1948. (..) Voorzichtig leg ik Ali uit dat ik niet geinteresseerd ben in de geschiedenis van het Midden-Oostenconflict. Ik wil weten hoe de mensen nu leven. Vandaag, niet 1948. (..)
Er arriveert kokendhete thee en Ali laat me weten dat, ja, hij wil wel over het Nu en Vandaag praten.
'De Joden,' begint hij, 'zijn misdadigers. De Joden zijn honden.'
Maar ik wil niet over de Joden horen, ik ben hier om over de Palestijnen te horen. 'En aan welk dier,' probeer ik, 'herinneren de Palestijnen je?'
'Leeuwen!'
Iedereen is het daarmee eens, alle ogen drukken goedkeuring uit.
Ik kijk naar deze kamer van leeuwen: niemand kan zich bewegen in die kleine kamertje, 4 bij 4 meter, en er staat geen stukje meubilair behalve wat gebedskleden aan de muur en drie plastic stoelen.
Leeuwen!
(lees verder onder de video over Al Wahdat)

Behandelt de Jordaanse regering de Palestijnen goed? 'Jazeker. Het leven in Jordanie is heel goed. Geen klachten.' Als Ali over de Jordaanse regering praat, kijken de aanwezigen weg maar ze houden hun mond, niemand hier kan Ali tegenspreken in zijn eigen huis. (..) Kan ik de wereld berichten dat de Palestijnen in Jordanie gelukkig zijn en geen problemen hebben? 'Kan je schrijven.'
Een man die vlakbij me zit biedt aan me rond te leiden en mij het Goede Leven van Palestijnen in Al Wahdat te laten zien. Heb ik zin in een wandelingetje?
Wandelen gaan we.
We verlaten de markt en lopen terug naar de woonwijk van Al Wahdat: 'huizen' die precies lijken op dat van Ali, 4 bij 4 meter. Elk gezin heeft er zo een, een 'eenheid', in de volksmond. Dat is overigens wat Al Wahdat betekent: Eenheden. (..)
We komen bij een bepaalde Eenheid, een zonder elektriciteit. Overal kaarsen. Wil ik liever buiten zitten? Er komt een man bij die voorstelt dat we op straat gaan zitten. Maar geen foto's alsjeblieft. 'Als de Jordaanse regering ontdekt wat ik je nu ga vertellen, is dat 20 jaar cel. Wij zijn 70% van de bevolking in Jordanie, maar niet 1 Palestijn dient in de veiligheidsdiensten. Wij kennen ze alleen door het gevangeniswezen. Begrepen?'
'Ik heb een Jordaans paspoort, maar elke politieman ziet gelijk dat ik een Palestijn ben: wij hebben andere identiteitsnummers.
De Jordaanse regering krijgt geld van de VN en anderen voor elke Palestijn die hier woont, en steekt het geld in eigen zak. Wij zijn 'een schat' voor de Jordaniers: koeien die gemelkt worden. Wij zijn bezit. We worden niet als mensen behandeld. Waarom bestaan de kampen nog? (..) Waarom zijn er zoveeel arme Palestijnen? Omdat we net aandelen in Wall Street zijn. (..) Miljoenen arme Palestijnen zullen nooit uit de ellende komen. Waarom? Vanwege hun Arabische broeders.
De Joden hebben ons onrecht aangedaan, en daar zullen ze voor betalen: de dag komt en de Arabische natie zal veranderen en voor ons vechten. Alle Arabische legers zullen samenkomen in Jordanie en Palestina binnenvallen en de Joden uitroeien. Dat staat in de Quran en ik geloof het. Ik geloof. Maar tot die dag komt, lijden wij. Door onze broeders die ons verachten en door ons rijk worden.
Koning Hussein heeft eens gezegd dat mensen 'een belegging' zijn. Ja, voor hem waren wij dat. En voor zijn zoon, Koning Abdallah, zijn we dat nog. Kijk naar dit kamp: waar ter wereld wonen mensen onder zulke erbarmelijke omstandigheden? Als er iemand om de Palestijnen geeft, waarom laten ze de Jordaniers ons dan als koeien behandelen? En waarom klaagt er niemand op de hele wereld?
En dit is nog goed. De Palestijnen in Libanon hebben het veel slechter. Ze mogen niet alleen geen huizen kopen, ze mogen zelfs geen auto hebben.
Moge Allah wraak nemen op de vervloekte Joden.'
Klik hier voor de (veel langere) Engelse versie, of hier voor het Duitse origineel in die Zeit.